|
Scheveningen,
mist je het
?
Langzaam liet hij
de auto over de boulevard richting havenhoofd rijden. Het geelachtige
licht van de lantarenpalen schitterde door de voorruit en gaf de omgeving
iets rustgevends. Hij parkeerde de auto in één van de lege
vakken, doofde het licht en stapte zwijgend uit. Zijn vrouw volgde en
stak haar arm door de zijne.
'Het is al fris voor de tijd van het jaar, brr.. even mijn jas dichtritsen.
Zo, dat is lekker warm, we kunnen,' en opnieuw stak ze haar arm door de
zijne.
Hoe verder ze het havenhoofd op wandelde en hij de golven tegen de grote
betonnen blokken hoorde slaan, kwamen de herinneringen bij hem boven.
Hij snoof diep het zilte zout in, en ging met zijn gedachten, terug in
de tijd. Het verbaasde hem en dacht dat hij het meeste was vergeten. Opnieuw
voelde hij de kilte en het vocht dat zijn lichaam binnen drong. Een moment
dacht hij zelfs de vis te reuken. Een onbehaaglijk gevoel kwam bij hem
boven en dacht terug aan de tijd toen hij nog voer. Opeens was het of
hij er weer middenin zat en voelde de kou en de natte oliejas aan zijn
lichaam. De tijd dat ze de vleet rond een uur of één in
de nacht moesten binnen halen. Weer voelde hij zijn kouwelijke handen
in zijn handschoenen en de slaap waar ze regelmatig uit werden gewekt.
Er liep een koude rilling over zijn lichaam.
'Heb je het koud,' vroeg zijn vrouw. Je hebt toch wel een trui onder je
jas aan?'
'Jawel, dat is het niet. Er liep iemand over mijn graf,' en zwijgend wandelde
ze naar het eind van het havenhoofd. Opnieuw namen zijn gedachten de overhand
en ging ver terug in de tijd. Als een film draaide het aan hem voorbij.
Ook al probeerde hij het te verbannen. Hij voelde de kou en het zoutenwater
aan zijn lippen branden. De lasten haring die werden binnengehaald. Waardoor
je uren aan één stuk op de kaakplank zat en met gekromde
rug de haring zat te kaken. De schubben en de steken van je kaakmes in
je handen die op het laatst zelfs niet meer voelbaar waren. Vaak sijpelde
het bloed na het wassen nog uit de wond. Als reepschieter of afhouwer
had je dagen en soms nog na maanden last van de uitlopers van de lijmers
die zich rondom je polsen hadden gewikkeld.. Het eelt dat vaak zo dik
was dat je na het slapen je vinger stijf van het eelt niet meer kon openen.
En op aanraden van een matroos erop moest plassen om ze weer soepel te
krijgen. En hoe dan ook, het hielp.
De kantjes die vol met haring op dek stonden, gekuipt moesten worden en
benedendeks gestouwd werden. Het schip dat slingerde en je hersens het
lichaam in horizontale houding wilde houden. Je spieren moesten achteraf
gezien dubbel zo hard werken.
De vermoeidheid sloeg vaak opeens toe, maar daar wilde niemand aan toe
geven. Soms zakte je even weg, maar dat gaf je niet toe. Zelfs de mannen
met de grootste mond die in het ruim in slaap vielen omdat even de rust
door hun lichaam sloop. Ook deze mannen hielden vol dat ze geen oog dicht
hadden gedaan. Een zeeman is sterk en kent geen genade. In wat voor een
tijd leefde we toen?
'Waar zit je met je hoofd, hoorde hij zijn vrouw vragen.'
'Oh, overal en nergens, gewoon herinneringen, niets bijzonder,' hij kwam
tot stilstand bij het baken, draaide zich om en keek naar de duinen die
er als een zwarte schim bijlag. Hij herkende het meteen. Hoeveel tijd
had hij daar in zijn jeugd niet doorgebracht en keek positief terug op
deze periode. Zijn vrienden en hij kenden de duinen op hun duimpje De
bomen waar ze altijd bomentikkertje speelde, kon hij zich beeldig voor
de geest halen. Hoe vaak was hij niet uit zo'n boom gevallen. Soms kwam
je op je rug neer en sloegen je longen dicht, waarna je naar adem snakte
tot ze vanzelf weer opensloegen.
Zijn vrouw was op het bankje gaan zitten. Hij nam naast haar plaats en
tuurde over het water in de richting van de horizon. Zijn hersens draaiden
op volle toeren en voerde hem terug naar een reis op weg naar Ierland.
Het begon al in IJmuiden, toen ze nog tussen de buitenpieren voeren richting
openzee. Een Noordwester, kracht acht stond recht op het gat. Hij zag
zichzelf weer op de brug staan, toen er plotseling een golf zo zwart als
de nacht als een steile muur op hen af kwam. De boeg perste zich erin
en zonder zich op te richten, stokte de trawler. Een muur van water perste
zich over de bak en voor je er erg in had, sloeg hij tegen de brug. Het
schip stokte in zijn vooruitgang. Van de bak tot de winder lag het schip
onder het schuimende water. Het leek wel een eeuwigheid te duren. Het
schip hief zich weer op en drong zich weer in de volgende golf.
In het kanaal stoomde ze halve kracht, toen hij op een middag op de brug
kwam. Met de wind op de kop, voeren ze al stotend door de golven in de
richting van de oceaan. Een koppel voer voor de wind en passeerde hen
aan bakboord zijde. Even kwam er een glimlach op zijn gezicht en mummelde.
'Rood aan rood passeren. Zo'n grote zee en toch de wettelijke bepalingen
van de zeevaart uitvoeren zoals het hoort.'
'Waarom grijns je,' vroeg zijn vrouw die zich tegen hem aan nestelde om
het warm te krijgen.
'Niets, ik had een binnen pretje,'en liet zijn gedachten weer terug voeren
naar het kanaal.
Niet lang nadat de koppel die hij had nagekeken en op een grote golf zich
liet mee surfen, richtte hij zijn blik naar de zee voor hem. En zag dwars
op de boeg en enorme golf. Zich oprichtend, kwam het als een muur op hen
af. Even zag hij een angstaanjagende blik in de ogen van de schipper die
net naast hem was komen staan. Iedereen keek in de richting van de golf.
Ze wisten dat er geen tijd meer was om de boeg zo te draaien dat zij zich
erin kon wurmen. Seconden leken uren. Als in een slowmotion hief de golf
zich op, terwijl de boeg van de trawler zich in een diep dal van water
bewoog. Ze probeerde zich op te heffen. Maar de muur van water sloeg met
een knal tegen de boeg dat het schip in haar naden deed trillen en op
haar zij werd gegooid. Degenen die zich nergens aanvast kon houden, werden
naar stuurboord gesmeten.
Tijd om te bidden was er niet. Zijn laatste gedachten waren dat dit het
einde was en ze met zijn allen ten onder zouden gaan. Het schip draaide
om haar as en het voelde alsof ze al 90 graden lag. Wachtend dat het zou
doordraaien, richtte zij zich langzaam op en kwam opgelucht terug zoals
een trawler hoort te liggen.
Niemand zei iets. Niemand liet blijken hoe bang ze waren geweest. De schipper
nam een besluit en liet de trawler stuurboord uitdraaien in de richting
van een Engels baai.
'Wat een rust hè,' brabbelde zijn vrouw en legde haar hoofd tegen
zijn schouder.
'Ja, wanneer je opwacht staat is het ook zo rustig. Alleen de lichtmotor
is dan hoorbaar. Ik kreeg dan altijd een gevoel van eenzaamheid over me
heen. Je stond daar in je eentje terwel de rest lag te knorren,' fluisterde
hij meer in zichzelf dan tegen zijn vrouw.
Bij het zien van een toplicht ergens in de verte stond hij op en wandelde
naar de rand van het havenhoofd. De grote blokken lagen roerloos opgestapeld
en hij voelde de deining onder zijn voeten. Hij zag het schip bijna geruisloos
binnen lopen.
Hij dacht aan zijn schooltijd. Eén jaar had hij op de visserijschool
gezeten Geen leuke tijd en waarom, kan hij nog steeds niet staven. Het
was of hij die tijd in een waas had beleefd. Daar moet de eenzaamheid
begonnen zijn. De tijd van de zeearend waar ze les op kregen. De meester
die zijn bril van zijn hoofd sloeg, omdat hij een tien had voor zijn werk.
Hij had volgehouden dat hij zijn huiswerk had geleerd. Dat had hij ook
geleerd, maar de onderdirecteur had de pik op hem. Hij beschuldigde hem
ervan dat hij had gespiekt. Hoe meer hij ontkende, hoe kwader de onderdirecteur
werd. Maar hij had zijn huiswerk geleerd en al sloeg hij hem rot, hij
zou niet zwichten voor hem.
Op een dag stond er een schipper voor de klas en de meester vroeg wie
van ons, mits je al veertien was wilde varen. Achteraf gezien kan je het
ronselen noemen, maar ja zo ging dat in die tijd. Hij had het niet naar
zijn zin op school, misschien was dit wel de oplossing. Hij wilde tenslotte
varen en dan was hij meteen van het gezeur af. En hij was veertien, dus
stak hij zijn vinger op.
Tja, achteraf had hij het ook wel een beetje stoer gevonden. Zijn broers
voeren ook en vertelde vaak van die stoere verhalen. Nou nee dus, varen
bleek toch niet zo mooi te zijn. Varen was armoede en hardwerken, zonder
enig medelijden van de matrozen. Dagen was je zeeziek en was je daardoor
heen, dan kreeg je heimwee. Er waren momenten dat je wel naar de wal wilde
zwemmen, bij wijze van spreken dan. Maar ja, je wilde toch varen, dan
zal je ook varen, werd er gezegd.
'Zullen we terug wandelen. Het wordt nu toch wel een beetje koud,' hij
voelde de warme hand van zijn vrouw tegen zijn wang.
Samen wandelde ze terug de havenhoofden af. Zijn gedachten ging terug
naar zijn vrouw, waar hij toch al bijna meer dan dertig jaar mee was getrouwd.
Zijn familie had ze nog geen jaar gegeven. Hij legde een arm rond haar
schouder en gaf haar een zoen in haar nek.
'Is er iets,' vroeg ze. 'Koekje d,r bij?'
'Welnee, ik was met mijn gedachten ergens ver terug in de tijd. Laten
we straks iets voor de flauwte gaan halen, want je krijgt honger van de
zee,' even kneep ze goedkeurend in zijn hand en ze wandelde terug naar
de boulevard.
Hij hief zijn hoofd op, keek naar de vele lichtjes die de boulevard deden
schitteren en drukte zich stevig tegen het lichaam van zijn vrouw. Hij
moest toegeven dat ze toch best goed geboerd hadden. Na de visserij had
hij nog een tijdje op een olieplatform op de Noordzee gewerkt. Het was
vaak zwaar en strikt. Vergeleken met de visserij, was het eten er goed.
Hij had het een paar jaar vol kunnen houden, maar het lichaam wilde niet
meer en langzaam sloop er een ziekte door zijn lichaam. Toen begon de
onmacht van het vechten tegen de mening die de mensen nu eenmaal over
je hebben, wanneer je ziek wordt en een uitkering ontvangt. Een brok in
zijn keel deed zijn maag omkeren. Hij wilde niet meer aan die tijd denken
en probeerde zijn gedachte te verzetten. Ze hadden het nu goed samen.
Het verleden moet je als het verleden zien, deze komt nooit meer terug.
Geen pijn, geen nostalgie en je zeer zeker niet groter hoeven voordoen,
dan je in werkelijkheid bent. Ieder krijgt nu eenmaal zijn deel in het
leven. Nog éénmaal keek hij achterom, alsof hij opnieuw
een stukje van het verleden had afgesloten.
'Dat is kletspraat,' hoorde hij zijn vrouw lachend zeggen.
'Hoe bedoel je. We zitten niet op internet hoor.'
'Ja dat bedoel ik. Kletspraat. Ik moest er ineens aandenken. Het is zo
leuk om die mensen te kunnen volgen. Er zit zoveel nostalgie in. Mensen
zijn zo met het verleden bezig, zeker als men ouder wordt. En al die oude
foto's. Wat is er toch veel veranderd in die tijd. Alles is zo gehaast.
Waar vind je het nog dat men weet of de buurvrouw is bevallen of erger,
is overleden. Vroeger ging men dan de deur langs om geld voor een krans
op te halen. En de buurvrouwen zorgde ervoor dat er koffie na de begrafenis
was. Mensen vingen elkaar op. Dat vind je vandaag de dag niet meer. Als
je al die berichten en oproepen leest gaat de tijd aan je voorbij. 'Brrr,
het is fris,' hij opende het portier, startte de motor en zette de kachel
aan. 'Zal ik een patatje voor ons halen,' vroeg hij. Zijn vrouw knikte.
Toen hij terug kwam, gaf hij zijn vrouw haar deel en stilzwijgend keken
ze over het strand. Hij zette het grote licht aan en keken naar de golven
die zich op deze afstand vredig omkrulde.
'Wat hebben we het toch goed hè,' zei zijn vrouw opeens. Geen geldzorgen,
een zeilboot en de stacaravan aan het water. Jij hebt je hobby's. Ik heb
een goede en leuke baan. De kinderen zijn goed opgeleidt en hebben het
naar hun zin. Wat willen we nog meer. Mis jij Scheveningen,' vroeg ze
'Eerst wel, maar als ik alles op een rijtje zet, denk ik niet dat ik het
hier nog kan rooien. We zijn te veel veranderd. Het is goed zo. We wonen
leuk en we hebben alles bij de hand toch.?
Ze keek hem glimlachend aan, knikte tevreden en zei. 'Laat het verleden
rusten. We hebben het naar ons zin. We hebben alles wat ons hartje begeert.
We hebben volgens mij de juiste beslissingen genomen schat.'
Even moest hij er over nadenken waar ze opdoelde. Glimlachte, en zei.
'Morgen weer een dag. Niet verder vooruit kijken dan je neus lang is.
Laten we geniete waar we zo voor hebben moeten knokken. Het is goed zo,
ja het is goed zo,' fluisterde hij.
Einde.
D. Bal.
|