| Coenen op de man
af
Dit is het laatste
deel van mijn artikelenreeks. Het zal u duidelijk zijn dat u - na dit
alles te hebben gelezen - slechts een fractie van Coenens 'Visboeck'
onder ogen hebt gehad. Hij schreef echter over zo'n verscheidenheid
van zaken, dat het niet doenlijk was, die allemaal hier weer te geven.
Men kan, zonder ook maar enige afbreuk te doen aan de waarde van Coenens
werk, vaststellen dat, wanneer diens boek uitsluitend vissen tot onderwerp
zou hebben gehad, de omvang wellicht tot een kwart beperkt was gebleven.
Het blijft dan ook gissen waarom hij zoveel onderwerpen - die er in
wezen niet rechtstreeks mee van doen hadden - in zijn boek heeft willen
opnemen. Betreft het wellicht een mate van geldingsdrang waarbij het
er Coenen zijdelings óók om te doen was - net als zijn
geleerde tijdgenoten - een omvangrijk werk te vervaardigen? Want naast
de vele goede karaktereigenschappen is bij Coenen ongetwijfeld ook een
mate van geldingsdrang of ijdelheid aanwezig geweest. Kortom: wie zal
hij in persoon zijn geweest en wat zullen de drijfveren of achtergronden
zijn geweest die bij Adriaen Coenen tot zoveel inspanningen en daaropvolgende
uitkomsten hebben geleid?
Wat wij weten
In directe zin is over hem slechts weinig bekend; maar Coenens 'Visboeck'
geeft indirect méér inzicht. Andere bronnen, bijvoorbeeld
aan te treffen in stedelijke registers, voegen maar weinig toe. Coenen
is over zichzelf weinig mededeelzaam geweest. Wél kan uit zijn
boek worden opgemaakt dat hij de vader was van een zoon; deze werd in
1577 geboren. Coenen gaf die zoon zelfs door middel van een tekening
een plekje (455) in het 'Visboeck'; hij begon aan zijn boek in het geboortejaar
van de jongen. Binnen de omlijsting van de genoemde illustratie voegt
Coenen als verheldering daaraan de woorden toe: 'Dit is Coen Adriaensen
mijn soen'. Over verdere familiaire banden schrijft hij nauwelijks;
hij spreekt tersloops over een broer die in Scheveningen woonde. Hij
ging op een zeker moment naar die broer in Scheveningen toe 'alsoe als
Ic doen tertijt tot leijden woon achtich was' (195). Hij verbleef inderdaad
een aantal jaren in Leiden; zo vertelt hij in 1580 (!) in zijn boek
dat hij op dat moment vier jaar in die stad woonde (166); het 'Visboeck'
is dus uit zijn Leidse tijd afkomstig. Van zijn ouders zegt Coenen slechts
dat zij goed voor hem waren (91).
Karakter
Wil men dus proberen de persoon Coenen beter te doorgronden dan is dat
- zij het dan indirect en met behulp van de tekst van zijn boek als
basis - redelijk doenbaar. Coenen was een handelsman, doortastend en
intelligent, in onze ogen wellicht wat naïef en tot op zekere hoogte
ijdel; zijn soms doorschemerende bescheidenheid komt - gezien in dat
licht - wat gespeeld over. Hij was duidelijk prestatiegericht, weliswaar
beperkt opgeleid maar in het bezit van een ruime mate van parate kennis
met daaraan toegevoegd een krachtig verlangen naar meer. In hem brandde
een sterk religieuze beleving; deze werd gevoed door het zojuist in
Holland opgekomen calvinisme (487, 488, 489). Coenens intelligentie
stelde hem in staat om zich - ondanks die beperkte opleiding - schriftelijk
in vrij duidelijke zinnen uit te drukken; zijn handschrift was ondanks
de leeftijd van dat moment zonder meer goed. Zijn parate kennis bood
hem de mogelijkheid, de vele folio's te vullen terwijl zijn doortastendheid
ertoe leidde, het genoemde ook daadwerkelijk te laten gebeuren. De omstandigheden
waarbinnen Coenens naspeuringen via een boek vorm kregen waren zeker
niet ideaal. De geboorte van zijn zoon en de start van het 'Visboeck'
vielen samen: niet de twee meest gewenste momenten binnen een en eenzelfde
tijdsbestek. Coenens doortastendheid heeft daarin zonder enige twijfel
de doorslag gegeven.
Zijn gesignaleerde
geldingsdrang en zijn hang naar erkenning spreken onder meer uit het
noemen van de verschillende vooraanstaande relaties waarmee hij contacten
had. Het betrof kringen waarin mensen van zijn komaf normaliter niet
verkeerden en dat wilde Coenen zijn lezers wel laten weten (97, 98,
105). Wellicht heeft zijn geldingsdrang hem ertoe gebracht, werkelijk
álles vast te leggen wat hem voor de geest en voor ogen kwam,
tot en met het gebruik van vreemde talen en het citeren van complete
bijbelteksten toe (32). Daarnaast is het dan weer opmerkelijk dat Coenen
in zijn boeken twee ingrijpende gebeurtenissen verzweeg die tijdens
zijn leven plaatsvonden, namelijk de heftige stormvloed in 1570 die
zijn woonplaats Scheveningen deels verwoestte en de brute moord in 1584
op Willem van Oranje, een man die hij zeer hoog achtte. Waarom liet
hij dit na? We zullen het, hoe wij ook gissen, nooit te weten komen.
Blijft de bewondering
Men zou over sommige van Coenens onderwerpen wat wisselend kunnen denken
en zich ook het verband met het geheel hier en daar kunnen afvragen.
Maar, zijn toenmalige maatschappelijke positie en de hem destijds omgevende
tijdgeest in ogenschouw nemend, kan men slechts vaststellen dat - hoe
dan ook - Coenens naslagwerk zowel verbazingwekkend als uitzonderlijk
is. Dit roept zowel een diep respect op als een grote bewondering voor
een in wezen eenvoudige man die - met de slechts geringe, hem ten dienste
staande, mogelijkheden - tóch zoveel heeft kunnen onderzoeken,
lezen, illustreren, maar ook beschrijven. Zelfs datgene wat binnen het
'Visboeck' niet van direct belang lijkt, gaf en geeft aan wetenschappers
als Florike Egmond en Peter Mason - die Coenen als geen ander bestudeerden
- veel informatie over het denken en leven van deze 16de eeuwer en van
diens tijdgenoten. Florike Egmond schreef in 2005 het bijzonder fraaie
standaardwerk 'Het Visboek', niet te verwarren met een eerder en wat
minder geslaagd boek uit 1997. Tot besluit: u kunt altijd, zoals ik
in het introductieartikel al schreef, via internet de site www.kb.nl/visboek
raadplegen. De in de artikelen tussen haakjes (,,,) vermelde nummers
geven corresponderende bladzijden aan van het aldaar getoonde 'Visboeck'
en u kunt dus meelezen en ook verder doorbladeren.
©
Piet Spaans 2009
historisch publicist en auteur
Den Haag Holland
|
|
|
|