|
De
handel in vis
De denkwereld
van Coenen moet zich steeds hebben bewogen tussen afslag en handel.
En zijn interesse zal dan ook heen en weer hebben geschommeld tussen
datgene wat eerst afslag wás en wat vervolgens handel wérd,
te weten: de vis in al haar verschijningen. Over die vis is - steeds
Coenen volgend! - in de verschillende voorgaande artikelen al het een
en ander verteld.
Het ligt voor de hand dat bij dit voornoemde 'een en ander' de factor
handel in Coenens vertellingen steeds om de hoek gluurde. Want Coenen
bleef in alles wat hij dacht en deed steeds toch op en top de zakenman.
Daarom nu een overzicht van wat Coenen zoal over zijn handel opmerkte
en vastlegde; dat betrof primair de vis en haar kwaliteit, de geldswaarde
ervan, de uitvoer van de vis naar elders, maar ook: de straffen bij
zwendel en wangedrag. En tersloops ook nog het blauwtje dat hij indertijd
liep in zijn handel (godt betert!) met ernaast soms, en ongewild, tevens
een stukje vaderlandse geschiedenis.
'Voor rijcke
weeldighe luyden'
Het was in Coenens jaren niet anders dan tegenwoordig wanneer het gaat
om tongen. Ze werden in zijn jaren al als een 'leckere spijse' ervaren
(276 en 279) voor een select publiek, door Coenen steeds 'die rijcke
weeldighe luyden' genoemd. Vooral wanneer ze weinig werd gevangen leverde
die vis veel geld op. Ze was met name geliefd in Brabant en in steden
als Antwerpen, Mechelen en Brussel 'daer die rijcke heeren verkeeren
en woonen'. Eens stuurde Coenen zijn knecht met vis naar Brussel waar
op dat moment keizer Karel V en zijn zuster Maria van Oostenrijk verbleven.
Onder de vissoorten die de knecht meevoerde waren 40 tongen die per
stuk acht stuivers deden. Deze prijs was niet te hoog want bij schaarste
kon ze wel tot 20 stuivers oplopen en Coenen vertelt, ooit destijds
gehoord te hebben dat de tong bij grote feestmalen per stuk in de verkoop
wel een kroon - ongeveer twee gulden - kon doen. De aangevoerde schol
werd, naast vers verkocht, ook veel geleverd aan de plaatselijke visdrogers.
Die voerden hun gedroogde schol dan bijvoorbeeld weer uit naar de Antwerpse
pinkstermarkt en 'daer quamen dan die van Coolen ments straetsburch
(Keulen, Mainz, Straatsburg: auteur) ende meer ander duitse koopluyden
ende coften daer haar gerijf van den ghedroochden scollen'. Geleidelijk
aan ging die Antwerpse stapelmarkt over naar de Zijdse dorpen zélf,
getuige twee eerdere verhalen van Coenen, een waarin een Katwijker voor
een handelaar 2400 tonnen gedroogde schol aanleverde en een ander waarin
Coenen een blauwtje liep bij een Duitser die een leverantie van gedroogde
schol niet betaalde.
Weinig in tel
Volgens Coenen (295 en 296) was in zijn jonge jaren de pieterman als
vissoort bij de viskopers maar weinig in tel. Daar kwam verandering
in toen de eerdergenoemde Maria van Oostenrijk eens in Den Haag op bezoek
kwam. Ze bezocht daarbij het strand en voer vervolgens op haar verzoek
ook mee met een visserspinkje dat ging vissen. Men viste en ving daarbij
pietermannen die zij uitdrukkelijk ook wilde proeven. Aldus gebeurde
en 'sinter dier tijt heeft se den rijckdom mede willen eeten ende cregen
daer smaec in'. Het kon blijkbaar verkeren want al schrijvend herinnert
Coenen zich van vroeger dat hij toen wel 20 pietermannen zag kopen voor
één oort, neerkomend op een kwart van een stuiver. Hij
merkt tevens op dat de destijds in Scheveningen gelegerde Spanjaarden
de pieterman graag lustten. Ook de zeehaan was volgens Coenen 'welsmaeckelyc'.
Toen hij veel vis naar Antwerpen, Brussel en Mechelen vervoerde was
de zeehaan voor hem een goede handel. In zijn jonge jaren werd ze, naar
een oude visser hem vertelde, zoveel gevangen dat iemand in één
reis 1600 zeehanen had bekomen. Men betaalde toen voor de honderd stuks
zes stuivers. Ook hier kon het verkeren want deze vis werd later zo
schaars dat men soms wel vier, vijf of zes stuivers voor één
zeehaan betaalde, aldus Coenen.
Galg
Dat het tenslotte met zwendel in de vishandel destijds slecht af kon
lopen laat Coenen ook nog weten. Hij vertelt over een viskoper uit Egmond
die vis verhandelde naar Engeland. Onder die vis voerde hij eens een
teunhaai - een minderwaardige vissoort - mee die hij in Engeland presenteerde
als zijnde een steur, een dure vissoort. Dit kwam hem daarna ook écht
duur te staan want toen hij opnieuw met vis in Engeland aankwam werd
hij voor deze zwendel opgepakt, veroordeeld tot de galg en ook daadwerkelijk
opgehangen.
©
Piet Spaans 2009
historisch publicist en auteur
Den Haag Holland
|
|
|
|