|
De
haring
Men heeft vaak
de neiging Scheveningen en haring op één lijn te plaatsen
en te stellen dat dit al van oudsher het geval zou zijn. Een onjuiste
uitleg van een tekst uit Coenens 'Visboeck' door de plaatselijke geschiedschrijver
Vermaas ligt hieraan ten grondslag. Door Vermaas' misvatting is de gedachte
ontstaan dat de Scheveningse vissersvloot al ten tijde van Adriaen Coenen,
samen met de buizen van de Hollandse haringsteden, naar Schotland trok
voor de vangst van haring.
In een artikel in het 'Jaarboek Die Haghe 2007' heb ik die misvatting
besproken. Ik volsta daarom met hier op te merken dat, waar het de visafslag
van die jaren betreft, het te allen tijde is gegaan om die van de plat-
en rondvis. In geen enkele plaatselijke keur of verordening van die
tijd wordt over een afslag van haring gesproken. In Coenens tijd lijkt
de vangst en aanvoer van - uitsluitend verse - haring plaatselijk veruit
ondergeschikt te zijn geweest aan die van de rond- en platvis. En toch
geeft Coenen in zijn boek - net als bij de zalm - een uitvoerige verhandeling
en die betreft dan nota bene de haring (51 t/m 64). Zijn enthousiasme
voor de haring lijkt wat dubbel; immers, deze was niet van belang voor
zijn werk. Het kan dan ook alleen maar worden verklaard uit een algemeen
te Holland heersend enthousiasme van die jaren voor de haring die door
Coenen wordt omschreven als 'onsen groten gouden berch in hollant' en
uit zijn drang om te schrijven over vissen, dus óók over
haring. Het meeste dat hij vervolgens over de haring en haar visserij
vertelt betreft dan ook de Hollandse visserij en meer specifiek die
van vroegere haringsteden als Rotterdam, Delfshaven en Schiedam en daarbij
hun product: de pekelharing.
Klein maar smakelijk
Coenen schrijft dat de Hollanders en Zeeuwen visten 'benoerden scotlant
onder fayer hil ende hitlant ende orckeney'. Het ging daarbij om grote
schepen van 30 en 38 last: 'buysen' of 'kerveel buysen'. Hij heeft in
het boek ook een duidelijke tekening geplaatst waarop zowel vissersschepen
als locaties te zien zijn (60, 61). De beelden leren een en ander over
het vissen en over de vaartuigen in samenhang met hun visgerei. Over
de Zijdse vissers, kustvissers, waaronder dus de Scheveningers, vertelt
Coenen dat zij in de herfst vrij dicht bij de kust visten op haring
die ze dan vers aanvoerden. Deels werd ze 'ghedroecht' terwijl Coenen
suggereert dat men destijds de haring ook al róókte; de
droogharing ging naar het buitenland. Bij het beschrijven ervan beperkt
Coenen zich tot de constatering dat de haring een 'cleyn visken' is
en daarbij dat ze een 'welsmaeckelijck visken' is die, vers gegeten,
beter smaakt dan gezouten. Maar, schrijft hij dan: 'die gesouten harinck
es oock een goede spijse'. Op deze haring - heel concreet dus de pekelharing
- richt Coenen goeddeels zijn verhaal. Hij zegt ervan dat 'dat een goede
hartighe spijse es voor den cloocken Arbeytsman'. Maar terwijl wij haar
in Holland steeds meer 'raeuw' aten - met een uitje, schrijft hij! -
at men de haring in 'verde landen' gekookt of gebraden. In tegenstelling
met de plat- en rondvis uit de afslag waarvan hij als afzetgebieden
vele steden weergeeft, noemt Coenen van haring in 'de verde landen'
geen afzetgebied. Toch wordt uit een - trouwens heel geestig! - verhaal
van Coenen duidelijk tot hoe ver destijds de uitvoer van de pekelharing
al reikte.
'Ghij sult morgen
doot wesen'
Een geleerde kennis van Coenen studeerde in zijn jonge jaren in Rome
en kreeg als de tijd daar was, gezouten haring toegestuurd (!) Hij stond
op een dag voor zijn deur zo'n haring te eten; een samen met zijn knecht
passerende Romeinse edelman zag dit. Hij zei: 'haha eet ghij raeuwe
vische ghij sult morghen doot wesen'. De haringeter ontkende dit aangedragen
gevaar, maar toch stuurde de edelman de volgende dag zijn knecht bij
de haringliefhebber langs om te zien of deze het had overleefd. Ja dus!
Nogmaals Olaus
Was de bisschop Olaus over wie al eerder werd geschreven voor Coenen
een inspiratiebron, van diens bluf moest hij maar weinig hebben. Dit
gold al voor Olaus' grootspraak over de zalm, maar evenzo voor diens
loftuitingen over de massa's haring die men bij Scandinavië zou
vangen. Naar aanleiding van Olaus' aantekeningen over die vele haring
sneerde Coenen: 'o dit heeft gheen gelijckenisse na mijn gisse (naar
mijn mening: auteur) van onsen harinc van onsen hollanders zeelanders
vlamingen'. En hoe belangrijk haringen ooit waren blijkt uit Coenens
vermelding dat ze een eigen koning kenden!
©
Piet Spaans 2009
historisch publicist en auteur
Den Haag Holland
|
|
|
|