|
1. Introductie
Voor hen die wat jonger zijn en die de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet duidelijk voor ogen hebben zal het volgende tot voor-informatie dienen. In mei 1940 werd Nederland door Duitsland veroverd en bezet. Het Duitse leger ging door en het succes ervan leek niet te stuiten. West-Europa was eind juni 1940 vrijwel geheel door Duitse troepen bezet en al snel richtte de blik van Adolf Hitler en de zijnen zich sterk op Engeland. Een grootscheeps Duits plan, 'Operatie Seelöwe' genaamd, ontwikkelde zich met als enig doel, Groot Brittannie via een invasie in te nemen. Een Duits overwinningslied "Jetzt wir fahren gegen Engeland" klonk in vele toonaarden uit de kelen van Duitse soldaten die marcherend door de straten trokken of in groepen in café's een biertje dronken. Intussen werd Engeland vanaf midden 1940 zwaar gebombardeerd door de Duitse Luftwaffe zodat Groot Brittannie stormrijp werd gemaakt voor de Duitse invasievloot. Op deze bombardementen en de daaraan deelnemende vliegtuigen kom ik straks, in het kader van het feitelijke onderwerp, nader terug. Alhoewel het plan voor de invasie op Engeland in theorie indrukwekkend leek, was de praktijk een andere. Zo was, in tegenstelling tot het Duitse leger, de Duitse Kriegsmarine heel wat minder uitbundig en wel op grond van eerder door hen geleden verliezen bij de aanval op Noorwegen in mei 1940. En hoe slecht hun invasievloot in de praktijk wel was mag blijken uit het feit dat de Duitsers zelfs rijnaken en platboomde vaartuigen vorderden om deze als transportschepen de oversteek naar Engeland te laten maken. Deze rijnaken en andere open vaartuigen lagen onder andere in de haven van Scheveningen en sommige werden, vooruitlopend op hun nieuwe taak, voorzien van een vliegtuigmotor voor de voortbeweging. Want tijd en mogelijkheid om goede scheepsmotoren in te bouwen bleken niet voorhanden. Het tij keerde; de bombardementen op Engeland bleven aanhouden maar de invasieplannen verdwenen van tafel. De crusiale dag van de invasie, 15 september 1940, ging voorbij in een verwarring van elkaar tegensprekende Duitse weerkundigen en met elkaar twistende Wehrmacht-, Luftwaffe - en Kriegsmarine onderdelen. Niet zo lang daarna kwam een nieuw aanvalsplan van Adolf Hitler ter tafel waarin zijn oog zich nu ging richten op Rusland. Dit plan, 'Operatie Barbarossa' genaamd, werd wél uitgevoerd; op 22 juni 1941 viel Duitsland daadwerkelijk Rusland binnen. Dit had gevolgen voor de kustbewaking van West-Europa waar de Duitsers tot nog toe veel manschappen paraat hadden om een mogelijke vijandelijke geallieerde landing vanuit zee te keren. De aanval op Rusland verliep niet voorspoedig en weldra moest Duitsland massaal eenheden aan de kustbewaking onttrekken om deze naar het oostfront te kunnen dirigeren. Hierdoor verzwakte echter de kustverdediging. Hitler bedacht nu een nieuw plan waarbij hij, in de vorm van de Atlantikwall, een starre verdedigingslinie langs de West-Europese kust ontwierp bestaande uit bunkers, fortificaties, versterkingen, versperringen en loopgraven. Om deze verdedigingslinie langs de gehele kust enerzijds optimaal te kunnen laten functioneren met anderzijds een tekort aan bewakingstroepen die inmiddels voor een groot deel in Rusland waren ingezet, koos de Duitse bezetter voor een gemakkelijke oplossing. Het gebied waarin de Atlantikwall ging worden aangelegd werd tot Sperrgebiet verklaard; op grond daarvan moesten alle kustbewoners evakueren. Weg pottenkijkers dus, waardoor voor de bezetter slechts een minimum aan bewakende legeronderdelen nodig was. En hier begint het eigenlijke verhaal. Scheveningers evacueerden op grote schaal. Toen men na de oorlog in Scheveningen terugkeerde was het dorp in een totaal ander kleed gehuld. Verwoesting en vernieling van woonhuizen alom, bestrating opgebroken, loopgraven en prikkeldraadversperringen her en der, betonnen bunkers op de boulevard, een onklaar gemaakte haven met halfgezonken schepen en kapotte kades. Ik begon onderzoek te doen naar het Sperrgebiet van Scheveningen en interviewde daarvoor vele plaatsgenoten. Hun verhalen zijn hier niet van belang maar één naam keerde in verschillende verhalen steeds terug, namelijk de naam van de 'Nederlandsche Zeereddingsdienst'. Niemand kon echter de juiste feiten over de opbouw en de functie van deze Dienst noemen. Ik besloot daarom een apart onderzoek hiernaar te doen en dit is het verhaal. 2. Oprichting
van De Nederlandsche Zeereddingsdienst (ZRD) De Duitsers moesten nu voor hun plan naar andere wegen omzien wat dan ook gebeurde. Zij bedachten de vorming van een zo genaamd 'Lazarettverband' waarbij gevorderde Nederlandse schepen buitengaats zouden worden gestationneerd om als hospitaalschip (Lazarettschiff) reddend te kunnen optreden in geval van gebeurtenissen op zee. Voordien werden de schepen omgebouwd waarbij ze voor de herkenbaarheid werden voorzien van een groene rand die hospitaalschepen kenmerkte. Verzamelaars onder de lezers zullen zich ongetwijfeld nog wel foto's herinneren met de LAZ aanduiding op de zijde van verschillende schepen. Er bleek echter weinig animo van zeelieden om dit soort schepen te bemannen, eens temeer nadat bleek dat de Engelsen niet van plan waren dergelijke schepen als hospitaalschip te erkennen in de zin van het Verdrag van Genève. Beschietingen door Engelse oorlogsvliegers volgden dan ook weldra en wéér was dit einde verhaal. Na deze opnieuw weinig geslaagde opzet werd vervolgens voor een andere constructie gekozen. Opvallend is daarbij dat de Duitse overheid nu sterk op de achtergrond bleef. Op 25 september 1940 passeerde bij notaris Van der Giessen te Den Haag een akte, inhoudend de inschrijving van de stichting 'Nederlandsche Zeereddingsdienst'. Deze stichting was ruim een maand tevoren, op 15 augustus 1940, opgericht. Opvallend voor de goede beschouwer is ook het feit dat alles snel achtereen plaatsvond. Op 1 juli 1940 sprak men immers nog met De Booy van de reddingsmaatschappij, vervolgens werd in een geheel andere opzet het 'Lazarettverband' gevormd en toen, binnen anderhalve maand, was er weer een nieuw plan, nu voor een Zeereddingsdienst. De veel geroemde Duitse 'Gründlichkeit' was hier ver te zoeken want op een zeer rommelige wijze bleek steeds naar nieuwe wegen te moeten worden gezocht om tot het doel te raken. De notariële stichtingsakte vermeldt als voorzitter van het bestuur en directeur van de Stichting Nederlandse Zeereddingsdienst de Nederlandse Lt.ter Zee II F. Heyman uit Scheveningen. Als medebestuurleden worden, naast deze Heyman, twee jeugdige mariniersofficieren genoemd die evenals Heyman waren ingedeeld bij de zo geheten door de Duitsers opgerichte Opbouwdienst. Deze Opbouwdienst was vrijwel meteen na de capitulatie van 14 mei 1940 door de Duitsers in het leven geroepen om gedemobiliseerde militairen en marinepersoneel tewerk te stellen. Zeer velen waren door hun militaire dienstplicht werkloos geworden. Het is niet duidelijk hoe de contacten tussen de Duitsers en de drie Nederlandse officieren tot stand zijn gekomen. Waren zij N.S.B.'ers die sympathiseerden met de Duitsers waarbij zij zich voor het Duitse karretje lieten spannen? Of waren zij alleen maar argeloze lieden die dachten met de komst van de Zeereddingsdienst een hoeveelheid werkloos marinepersoneel aan werk te kunnen helpen? De geschiedenis laat ons hierover in het ongewisse. Wél is bekend dat de twee jonge mariniers Von Pohlreich en Scharroo al zeer spoedig, in februari 1941, de ZRD weer verlieten. Directeur Heyman bleef langer op zijn post. Terwijl de Duitsers
de zee-officier Heyman medio augustus 1940 aan het werk zetten om de
Zeereddingsdienst op te richten, spraken inmiddels diezelfde Duitsers
tussen 7 en 10 september 1940 ook met het Nederlandse Rode Kruis. Men
was echter wel zo handig om hierbij als bezetter buiten beeld te blijven
en het initiatief van het gesprek te laten aan het Duitse Rode Kruis.
De Generalführer Dr. Hesse van het presidium van het Duitse Rode
Kruis voerde de eerste besprekingen. Het beeld dat uit de verslagen
van de besprekingen naar voren komt is nogal verwarrend, niet alleen
voor de lezer maar ook voor de Duitse bezetter zelf. Werd in het ene
verslag nog de deelname aan de Zeereddingsdienst gemeld van de KNZHM,
het volgende verslag weerlegde deze deelname weer. Men moest zelfs tussentijds
een hoge Duitse vertegenwoordiger in Nederland bijpraten om de verschillende
tegenstrijdigheden in de verslaggeving over de zojuist opgerichte ZRD
uit de weg te ruimen. 'De Stichting heeft ten doel de redding van schipbreukelingen uit Zeenood voor de Nederlandsche kust onverschillig welke nationaliteit'. 3. Het Nederlandse
Rode Kruis 'De Stichting stelt zich ter beschikking van het Nederlandse Rode Kruis met een aantal schepen met het doel ter zee hulp te verlenen aan gewonden, zieken en schipbreukelingen.' Een merkwaardige doelstelling voor een - toch neutraal geachte - Rode Kruisorganisatie die zich met zeereddingswerk normaliter niet bezighoudt, een doelstelling voorts die met Duits Wehrmachtkapitaal ging worden gefinancierd. Het was duidelijk: het Nederlandse Rode Kruis moest de dekmantel gaan vormen voor een, voor militair oogmerk opgezet, doel. Even verder doordenkend had men toch wel kunnen weten dat alles in die tijd stond in het teken van de oorlog. Alle gevoerde besprekingen vormden in feite de basis voor een Duits plan tot opvoering van de paraatheid van het reddingswezen langs onze kust, dit naar een voorbeeld van Duitsland. Daar lagen buitengaats in de Duitse Bocht reddingsschepen destijds dag en nacht klaar in staat van de hoogste paraatheid. Men kon direct uitrukken in geval van enigerlei nood op zee. Dat de Duitse inspecteur van het reddingswezen, die de eerste gesprekken met de heer De Booy van de reddingsdienst leidde, werkte bij het Duitse Ministerie van Luchtvaart was geen toeval. Zoals tevoren al is aangegeven vlogen vanaf mei 1940 grote formaties Duitse oorlogsvliegtuigen over de Noordzee richting Engeland om daar zware bombardementen uit te voeren. Echter, niet elk vliegtuig zou ongeschonden vanuit Engeland terugkeren Het eerder genoemde bezoek van de Duitse inspecteur aan de secretaris van de tegenwoordige Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij de heer De Booy wordt nu duidelijk. De door de Duitser gezochte verhoogde paraatheid van ons reddingswezen had in feite betrekking op het redden van Duitse vliegers die bij of boven Engeland zouden worden aangeschoten ten gevolge waarvan zij in zee dreigden te storten. De Nederlandse historicus dr. L. de Jong schetst overigens in zijn geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog over dit onderwerp een wat ander beeld. In de tijd waarover hier wordt geschreven speelden eveneens de Duitse invasieplannen op Engeland. De Jong suggereert nu dat de gewraakte reddingsschepen de invasievloot hadden moeten begeleiden. Deze suggestie is mijns inziens aan twijfels onderhevig. De status van de schepen stond overigens nog niet geheel vast. Enerzijds sprak men over 'reddingsschepen' terwijl anderzijds het woord 'hospitaalschepen' werd gehanteerd. Naar aanleiding van de woorden van De Jong moet worden opgemerkt dat in een later gesprek - in september 1940 - tussen de de ZRD en het Nederlandse Rode Kruis door de ZRD-directeur is gestipuleerd dat '...bij een eventuele aanval in Engeland de ZRD schepen niet verplicht kunnen worden de invasievloot te volgen en dat men zich zou houden aan de patrouillering op 10 mijl buiten de Nederlandse kust.' 4. De personele
en materiële invulling Door het Nederlandse Rode Kruis werd nu daadwerkelijk een inspecteur benoemd. Het betrof opnieuw iemand uit de kringen van de Koninklijke Marine. Het ging om de heer J.A. Sonnenberg, een Kapitein ter Zee buiten dienst. De oud-marineman Sonnenberg werd betaald door het Nederlandse Rode Kruis waarna de ZRD het uitbetaalde bedrag aan het Rode Kruis restitueerde. Inspecteur Sonnenberg diende te controleren of de voorschriften van het Verdrag van Genève met betrekking tot zee-oorlog wel in alle opzichten werden nageleefd op de ZRD-vloot. Hij moest verder de betrokken schepen, de journalen, de scheepspapieren en andere relevante zaken controleren. Tevens moest hij oog houden op de uitgereikte Rode Kruisarmbanden en op de uitgereikte Rode Kruis-identiteitspapieren. Hij moest daarnaast verslag uitbrengen aan het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis en moest een afschrift van zijn rapport toezenden aan de directeur van de ZRD. Het is bij dit alles nogal opmerkelijk dat door niemand is afgewacht hoe de geallieerden - en hoe met name de Engelsen - tegenover dit fenomeen zouden staan. Weliswaar troostte men zich met de gedachte dat de Duitse Wehrmacht had toegezegd, de Engelse regering van het bestaan van deze schepen en van hun functie op de hoogte te stellen, maar een antwoord van de Engelsen kwam nooit. En de vraag lijkt daarom gewettigd of in die - voor de Duitsers nogal turbulente - tijd van de Blitzkrieg ooit enige mededeling aan de Engelse regering is toegezonden. Het Nederlandse Rode Kruis geeft in jaarverslagen van die tijd aan dat het ging om 20 grotere en 6 kleinere vaartuigen. Andere verslagen geven echter hogere aantallen weer die zelfs een vloot van 35 ZRD-schepen omvatten. Wellicht is in het laatstgenoemde getal een zekere hoeveelheid van de vaartuigen opgenomen welke kort daarna door de Duitse Kriegsmarine zouden worden geconfisqueerd. Over de eveneens voor de ZRD ingezette Scheveningse loggers straks meer. Zoveel is duidelijk: deze vielen zeker niet onder de Rode Kruis-vloot. De echte ZRD-schepen zouden varen onder de Nederlandse vlag en daarnaast onder de vlag van het Nederlandse Rode Kruis. Op de wanden van de schepen zou het Rode Kruisteken worden aangebracht en de oorspronkelijke lettercodering LAZ op de schepen zou worden verwijderd. Zij zouden nu op hun flanken de letters ZRD met daarbij een registratienummer gaan voeren. Rode Kruisverslagen van die tijd noemen de hospitaalinrichtingen van de schepen goed; afhankelijk van de grootte van de vaartuigen varieerde het aantal aanwezige hospitaalbedden van 3 tot 20 stuks. 5. De Nederlandsche
Zeereddingsdienst in de praktijk Hoe dan ook, ondanks
het gezwollen artikel van medio 1941 in 'Die Deutsche Zeitung in den
Niederländen', dit met betrekking tot allerlei heldhaftige verrichtingen
van ZRD-personeel op zee, was en bleef de Zeereddingsdienst een wassen
neus. Want in werkelijkheid bleek de komst van de Nederlandsche Zeesleepdienst
het bankroet van de Zeereddingsdienst te gaan inluiden alhoewel ze in
theorie bleef bestaan. Het is in dit verband interessant, even in te
gaan op een na-oorlogs verslag dat betrekking had op een gedetineerde
arts. Het verslag werd tijdens een verhoor in een strafkamp opgetekend
uit de mond van een van de beide toenmalige ZRD-artsen; de bewuste arts
was tevens een NSB-er. Hij vertelde dat al in de zomer van 1941 binnen
de Zeereddingsdienst personeel werd geworven dat zou gaan deelnemen
aan een zogenaamde Nederlandse Ambulancedienst. Deze Ambulancedienst
zou door het Nederlandse Rode Kruis worden opgericht. Het Nederlandse
Rode Kruis zou voor de op te richten Dienst materiaal leveren en ambulances
inrichten. De opzet was, aan het intussen ontstane oostfront, waar nodig,
hand- en spandiensten te gaan verrichten. Alhoewel niet duidelijk is
aangegeven aan wie deze diensten zouden moeten worden verleend, ligt
het voor de hand dat ze vooral ten goede zouden moeten komen aan de
strijdende Wehrmachtsoldaten aan het oostfront. Het is dan ook bijna
zeker dat het plan uit een Duitse koker kwam. Nog los van de duidelijkheid
over een - opnieuw - twijfelachtige rol van het Nederlandse Rode Kruis
dat zich wéér voor het Duitse karretje leek te laten spannen,
wordt uit het verslag van de ZRD-arts eveneens duidelijk dat de ZRD
in het midden van 1941 zichtbaar en merkbaar al werd uitgehold vanwege
haar volkomen achterhaalde taakstelling. In juli 1942 nam de directeur Heyman, nadat hij in conflict was gekomen met de Duitse bezetter, zijn ontslag. Het aan boord plaatsen door de Wehrmacht van Duitse militairen op de feitelijk neutrale ZRD-schepen zou, naar verluidt, hiervan de oorzaak zijn geweest. Een nieuwe directeur trad aan en wel in de persoon van W.R. van Haga, een ex-stuurman van de grote vaart en een overtuigd NSB'er. Zo dadelijk meer hierover alsook over de geheel nieuwe rol voor de ZRD: zij ging vissen... 6. Vissen in
troebel water Intussen plukt de Duitse bezetter de ZRD steeds meer kaal; haar lot lijkt bezworen. Dan krijgt de geschiedenis een vreemde wending: de Duitsers bedenken een even bizar als uniek plan. De ZRD zal schepen gaan uitreden die zullen gaan vissen op de Noordzee vóór de kust van Scheveningen. Hier wordt een duidelijke overeenkomst zichtbaar tussen de ZRD en een andere Duitse maritieme organisatie; deze was toen gevestigd te IJmuiden.Voor meer duidelijkheid in dezen is het nodig te weten dat de contacten tussen de ZRD en de Duitse overheid slechts verliepen via één tussenpersoon. Het ging om de Duitse marine-officier Bauernfeind. Het is daarbij opmerkelijk dat de genoemde Bauernfeind óók de touwtjes in handen had bij een geheime Duitse marineorganisatie, de Marineaussenstelle Overveen (M.A.O.), Abteilung I (Referat I M) en onderdeel van de Duitse Sicherheitsdienst. Deze organisatie liet door middel van zogenaamd vissende loggers spionnagewerkzaamheden op zee verrichten. Over deze organisatie en over enkele daaraan verbonden Scheveningse vissers verscheen op 29 augustus en 24 oktober 2007 een relaas in 'De Scheveningsche Courant'. Het vertelt over een stuurman van de spionnagelogger KW 110 die met behulp van de bemanning de schipper van die logger overmeestert en met het schip en de bemanning naar Engeland uitwijkt. Het was Bauernfeind die Van Haga binnenhaalde bij de ZRD. Buiten Bauernfeind was er geen enkele persoon die de relatie tussen de ZRD en de bezettende macht in stand hield. Het is ook Bauernfeind die begin 1942 de directeur Van Haga op de hoogte brengt van de Duitse visserijplannen. Zes Scheveningse loggers en één schokker worden nu aan de ZRD ter beschikking gesteld waarbij men zich af kan vragen op welke wijze deze schepen aan hun eigenaars zijn ontnomen. Ging het hier om een vordering of om een huurovereenkomst en, voor zover het een huurovereenkomst betrof, was deze dan afgedwongen met het pistool op de borst? Tevens wordt aan de ZRD een volledige rederij beschikbaar gesteld. Het ging om een bedrijf aan de Tweede Binnenhaven dat compleet, vistuig inbegrepen, werd overgenomen van de Scheveninger Simon Taal. Aan het bedrijf worden namens de ZRD enige Scheveningers verbonden die de zaken aan de wal behartigen. Zo wordt J. Verbaan, een latere gezagvoerder van het Nederlandse passagiersschip 'Oranje', een soort walbaas. Hij gaat voornamelijk over de visserijzaken. D. Toet, een voormalige koopvaardijman, krijgt zeggenschap over de handel en over de verzending van de vis. De Katwijker A. Ouwehand wordt de man voor de inkoop van alles wat een visserijbedrijf nodig heeft. Tenslotte wordt een aantal zeelieden in dienst genomen waaronder Scheveningers, Vlaardingers, IJmuidenaren en Zeeuwse vissers die allen, hetzij als matrozen, hetzij als schippers of als stuurlieden, deze vissersvloot zullen gaan bemannen. Een van deze mannen was W.F. Rog, de latere kapitein van het hospitaal-kerkschip 'De Hoop'. Ik sprak met hem over zijn werk in dienst van de ZRD vissersvloot. Rog trad maart 1941 in dienst van de ZRD. Hij werd matroos op de ZRD 10, het oude hospitaal-kerkschip 'De Hoop'. Toen de visserij-aktiviteiten in begin 1942 een feit waren geworden, werd hem aangeboden, schipper te worden op een van de andere schepen van de ZRD. Rog koos voor de kleinste, de schokker SCH 76. De schepen lagen in de Tweede Binnenhaven bij de oude hijskraan. Ze waren alle voorzien van een ZRD-nummer maar waren niet wit geschilderd en hadden geen rood kruis op de flanken. De vissende schepen, in dienst van de ZRD, vielen niet onder de protectie van het Nederlandse Rode Kruis zoals de andere schepen. Naast het vissen bleef het op papier hun taak, reddend op te treden ingeval van nood op zee. Dit was echter een wassen neus daar van in zee gestorte vliegers intussen geen sprake meer was. Nu wordt ook de overeenkomst zichtbaar met IJmuiden waar Duitse militaire leidinggevenden (Bauernfeind, Strauch), gebruikmakend van hun spionnagebezigheden ter zee (Referat I M), zichzelf tevens financieel bevoordeelden door middel van de, door hun schepen aangevoerde, vis. Immers, de Noordzee was intussen door de oorlogshandelingen en door de nauwelijks daar vissende schepen rijk aan vis geworden. Formeel werd voor de ZRD-schepen gesteld dat deze ogenblikkelijk de lijnen van de netten moesten kappen bij een noodoproep van enigerlei drenkeling. Er werd zelfs een aantrekkelijke premie van f. 500.- aangeboden bij het redden van een in zee belande piloot. 7. De ZRD-visserij
in de praktijk Van Haga was - vanwege de evacuatie - met zijn kantoor eerst naar de Badhuisweg en later naar de Bezuidenhoutseweg verhuisd. Hij liet zich weinig zien aan de haven ondanks het feit dat de ZRD inmiddels een omvangrijk bedrijf was geworden. Zo'n 50 tot 80 man waren aan de wal werkzaam bij het roken en fileren van vis, het sorteren ervan, het verzorgen van schepen en netten en de proviandering van de vloot; op zee viste vervolgens nog zo'n 50 man. Men kende geen werkelijke problemen want alles wat nodig was kon worden gekocht. Olieproblemen zoals deze voor andere vissers golden, bestonden niet voor de ZRD. Het geld dat uit een geheimzinnige bron vloeide bleef stromen en men kan zich afvragen hoeveel geld er is verdiend aan vis die niet aan de Duitse Wehrmacht is geleverd maar op een andere, minder legale wijze, in de verkoop is gegaan. Er was generlei controle op de financiële gang van zaken en de directeur Van Haga, die ik indertijd interviewde, kon op geen enkele wijze aangeven waar enerzijds het geld vandaan kwam of waar anderzijds de ontvangsten naartoe gingen. Het kon hem in feite ook niet schelen want alles verliep naar wens; er werd geen balans opgemaakt en er waren geen jaarrekeningen. Niemand controleerde iemand en aan geld was geen gebrek. Van Haga verwees tijdens ons gesprek dan ook steeds naar zijn rechterhand Blom, op wie de ZRD in feite steunde. Uit alle gesprekken en uit verslagen komt Blom naar voren als een wat boerse, provinciale man, kleinsteeds en niet erg op zijn plaats in de grote stad. Maar hij lijkt wél een echte boekhouder te zijn geweest en een goede administrateur die de touwtjes strak in handen hield. Dit zou later blijken uit na-oorlogse verslagen in het dossier van het Nederlandse Rode Kruis. 8. Het roemloze
einde De opdracht van Bauernfeind aan Van Haga omvatte kortweg de vernietiging van de ZRD-administratie, het ontslag van al het ZRD-personeel en de sluiting van het kantoor aan de Bezuidenhoutseweg. Van Haga, die vanwege de ontwikkelingen aan het westelijke en oostelijke front op het vinkentouw zat, liet zich dit geen twee keer gezeggen. Hij vorderde een papiervernietigingsbedrijf om langs te komen en de gehele aanwezige administratie mee te nemen en die in snippers of in rook te laten verdwijnen. Van Haga vertrok met zijn vrouw naar Leeuwarden van waar hij destijds naar Scheveningen was gehaald. De ZRD-vloot bleef sindsdien aan de kant. De schippers en bemanningen lieten zich niet meer zien, dit eens temeer omdat de Duitse Kriegsmarine wilde dat zij de schepen naar Duitsland zouden overbrengen. In het verdere lot van deze schepen heb ik mij niet verdiept omdat ik dit - binnen het kader van de voorliggende geschiedenis - niet van belang achtte. Ook het rederij-erf, de rokerij en de pakkerij zullen vermoedelijk van het ene moment op het andere door iedereen zijn verlaten. Het zou uiteindelijk niet de incompetente, zwakke Van Haga, maar juist de wat boersige, maar consequente en sterkere tweede man Hendrik Blom zijn, die de deur van de ZRD ging dichttrekken. Twee schepen waren namelijk nog steeds als oorspronkelijk hospitaalschip in dienst van de ZRD en wel namens het Nederlandse Rode Kruis. En nog steeds lagen via de ZRD-administratie enkele schepen van de Zeesleepdienst paraat; deze behoorden dus niet tot de Rode Kruisvloot. Ze leidden langs de wallenkant een sluimerend bestaan.Via Duitse telefoonverbindingen gaf Blom aan de schippers van de schepen door, te handelen naar omstandigheden. Dit was voor iedereen het teken om onder te duiken. Het hospitaalschip ZRD 14 ging weldra in Zeeland ten onder en nadat de bemanning van de ZRD 10 had geweigerd voor de Duitsers in konvooi te varen, werd het schip door de bezetter geconfisqueerd. Blom, intussen verhuisd van het leeggelopen ZRD-kantoor naar het pand van het Nederlandse Rode Kruis - waar hem een kamer werd toegewezen - bereikte nog dat aan de ondergedoken bemanning een ontslagbewijs werd verstrekt. Hierdoor konden zij aan distributiebescheiden komen voor bonkaarten en dergelijke. Tevens regelde Blom dat al het ZRD-personeel tot 1 oktober 1944 salaris zou worden uitbetaald in plaats van tot 2 september, het moment waarop alles escaleerde. Voor deze salarissen maakte Blom uit de ZRD-kas f. 30.000.- over naar het Nederlandse Rode Kruis dat op zijn beurt het ZRD-personeel zou uitbetalen. Het ging hierbij om een totaalbedrag van omstreeks f. 20.000.- aan salarissen. De afspraak tussen Blom en het Nederlandse Rode Kruis luidde voorts dat de resterende f. 10.000.- als schenking aan het Nederlandse Rode Kruis zou toekomen. Toen trok ook Blom de deur van de ZRD achter zich dicht! Wie schetst, aldus een later door hem afgelegde schriftelijke verklaring, zijn verbazing toen Blom na de oorlog en intussen in dienst van het Nederlandse Rode Kruis, documenten tegenkwam waaruit viel op te maken dat de schenking van f. 10.000.-, bedoeld voor het Rode Kruis, een andere bestemming had gekregen. Volgens de verklaring van Blom bleek uit de aangetroffen documenten dat de toenmalige Secretaris-Generaal van het Nederlandse Rode Kruis, de N.S.B.'er Piek, een geldbedrag van f. 10.000.- via een cheque betaalbaar had gesteld bij de toenmalige Twentsche Bank. En volgens Blom was de gelukkige begunstigde zijn voormalige ZRD-directeur. Deze ontkende dit overigens in het vraaggesprek dat ik na de oorlog met hem had. De verklaringen van Blom maakten deel uit van het ZRD-dossier binnen het Rode Kruisarchief. En zo ging in het troebele water van waaruit ze ooit was opgerezen, de Nederlandsche Zeereddingsdienst weer ten onder in een even troebel water. Bronnen: Nationaal Archief.
Het Nederlandse Rode Kruisarchief N.B. Deze tekst werd in een wat afwijkende vorm eerder gepubliceerd in het boek 'Scheveningen Sperrgebiet' en in het tijdschrift 'De Blauwe Wimpel'
|